Houding van ouders tegenover kinderen met ernstige beperkingen

Wetenschappelijk onderzoek

Het toewerken naar meer inclusief onderwijs staat hoog op de politieke agenda in Nederland. Ouders zijn een belangrijke partij om dit te realiseren. Zij kunnen immers positieve, maar ook negatieve invloed uitoefenen op hun kind. Een voorbeeld hiervan is het volgende: Charlotte zit in groep 4, en zij gaat naar een school met een Samen naar School klas. De moeder van Charlotte is hier erg positief over, omdat ze vindt dat kinderen hierdoor leren om te gaan met verschillen tussen leerlingen. Zij vindt het dan ook erg fijn dat haar dochter betrokken is bij de inclusiemomenten met de kinderen van de Samen naar School klas. Het tegenovergestelde kan echter ook plaatsvinden. Denk aan een ouder die erg terughoudend is in het contact tussen kinderen met beperkingen en zijn/haar eigen kind zonder beperkingen.

In één van de deelonderzoeken van het onderzoek naar de effecten van de Samen naar School klassen is gekeken naar de houding en zorgen van ouders over kinderen met ernstige en meervoudige beperkingen (emb). Dit is gedaan door ouders te bevragen van wiens kind naar een reguliere basisschool gaat met een Samen naar School klas, en ouders wiens kind naar een school gaat zonder zo’n klas. Ook is er gekeken of de houding van ouders wordt beïnvloed als zij direct of indirect contact hebben met iemand met een beperking. Uit ander (internationaal) onderzoek weten we dat het hebben, of opdoen van contact een positieve invloed heeft op de houding van mensen.  

Er zijn gegevens verzameld bij 478 ouders, verspreid over negen verschillende basisscholen (vijf scholen met een Samen naar School klas, vier scholen zonder een Samen naar School klas). Ouders zijn gevraagd om een vragenlijst in te vullen waarmee hun houding tegenover inclusief onderwijs en kinderen met ernstige beperking in een reguliere klas gemeten is. Allereerst kregen ze een korte situatieschets te lezen over een kind met emb. Vervolgens werd de ouders gevraagd om stellingen te beoordelen, waarbij een hogere score (4 of 5) een meer positieve houding betekent, en een lagere score (1 of 2) een meer negatieve houding. De vragenlijst bestond uit drie onderdelen die verschillende aspecten van de houding meten: overtuigingen, gevoelens en gedragsintenties. Een voorbeeld van een stelling die de overtuiging van ouders meet is: Ik vind het goed dat kinderen zoals Job de mogelijkheid krijgen om naar een reguliere school te gaan.

Aan het einde van de vragenlijst was ruimte voor ouders om opmerkingen te plaatsen. Omdat een grote groep ouders (42%) opmerkingen plaatsten, zijn deze opmerkingen nader bekeken voor dit deelonderzoek. Alle opmerkingen zijn uitgeschreven en gecodeerd met behulp van een codeboek waar hoofdthema’s en subthema’s in zijn opgenomen. In de analyses is gekeken of beide groepen ouders van elkaar verschillen in het wel/niet maken van een opmerking, en of er een relatie is tussen het wel/niet maken van een opmerking en de houding van ouders.

De houding van ouders

Ouders staan gemiddeld genomen neutraal tot positief tegenover kinderen met emb in het reguliere onderwijs. Kijken we naar de verschillende aspecten van de houding, dan zien we dat ouders het minst positief zijn in hun overtuigingen, gevolgd door hun gevoelens. Het meest positief zijn ze in hun gedragsintenties. Dit betekent dat ouders er weinig moeite mee lijken te hebben om positieve gedragingen te laten zien richting een kind met emb (zie Figuur 1).

Het maakt voor de algehele houding van ouders niet uit of zij van een school met een Samen naar School klas zijn of niet. Het maakt wél uit of zij zelf een kind met een beperking hebben: deze ouders zijn positiever dan ouders zonder een kind met een beperking. Dit geldt ook voor het hebben van een (andere) naaste met een beperking. Ook deze ouders zijn meer positief in hun algehele houding en in hun gedragsintenties. Het maakt voor de andere onderdelen van de houding van ouders niet uit of zij een vorm van direct of indirect contact hebben.

Opmerkingen van ouders

De opmerkingen die ouders hebben geplaatst onderaan de vragenlijst zijn ondergebracht in verschillende hoofdthema’s en subthema’s. Deze zijn visueel weergegeven in Figuur 2. De meeste opmerkingen zijn gemaakt over een kind met emb. Ouders zijn bezorgd over de invloed van een kind met emb in de klas, maar vragen zich ook af of onderwijs in een reguliere setting wel ten goede komt aan het welbevinden van een kind met emb.

Over de invloed van een kind met emb op reguliere leerlingen hebben ouders ook opmerkingen gemaakt. Aan de ene kant maken ouders zich zorgen over de impact die de aanwezigheid van een kind met emb kan hebben op de leerontwikkeling van hun eigen kind. Aan de andere kant draagt een kind met emb in een reguliere klas volgens ouders in positieve zin bij aan de sociale ontwikkeling van hun kind. Hierdoor leren kinderen elkaar te accepteren en leren ze omgaan met verschillen. Ook hebben ouders zorgen over de beschikbare tijd en aandacht van de leerkracht, en of dit ten koste gaat van hun eigen kind.

Ouders hebben ook veel opmerkingen over school gemaakt. Ouders vragen zich af of leerkrachten wel beschikken over de expertise die nodig is om inclusie te realiseren. Daarnaast denken ouders dat een kind met emb in een reguliere klas zorgt voor een te hoge werkdruk. Daarnaast zijn veel ouders van mening dat er ondersteunend personeel nodig is om een kind met emb op te nemen in een reguliere klas.

Er zijn ook ouders die opmerkingen hebben gemaakt over hun eigen ervaringen. Deze ervaringen zijn doorgaans positief. Zo merken enkele ouders van een school met een Samen naar School klas op dat ze blij zijn dat hun kind op deze manier contact opdoet met kinderen met beperkingen. In Tabel 1 is een samenvattend overzicht te zien met enkele opmerkingen die ouders hebben gemaakt. Het maakt in de opmerkingen niet uit of ouders van een school met een Samen naar School klas zijn, of niet.  

Ouders die een opmerking hebben geplaatst onderaan de vragenlijst hebben een negatievere houding ten aanzien van de inclusie van kinderen met emb dan ouders die dit niet hebben gedaan. Dit geldt in het bijzonder voor opmerkingen die gaan over of onderwijs in een reguliere setting wel ten goede komt aan het welbevinden van een kind met emb. De houding van ouders wordt hierdoor in negatieve zin door gekleurd. In Tabel 1 is een overzicht van de thema’s te vinden met daarbij voorbeelden van gemaakte opmerkingen. 

Tabel 1. Overzicht van de subthema’s en voorbeelden van gemaakte opmerkingen*.

SubthemaVoorbeeld van een opmerking
Eigenschappen van kind met embHet niet kunnen praten vind ik de grootste beperking voor het reguliere onderwijs.
Welbevinden                Wij denken dat kinderen zoals Job beter op hun plaats zijn in het speciaal onderwijs en zich hier beter voelen.
Storend gedragReguliere kinderen kunnen mijns inziens wel hinder ondervinden van kinderen met een beperking. Door bijvoorbeeld verstoring in de klas.
Aandacht van de leerkrachtDoor een kind met een beperking in een reguliere klas kan er te weinig aandacht uitgaan naar de “normale” kinderen.
Sociale ontwikkeling          Ik ben blij met inclusief onderwijs, zodat mijn kind leert dat er allerlei soorten mensen bestaan en iedereen en mag zijn en erbij mag horen.
LeerontwikkelingIk denk, doordat er meer aandacht wordt geschonken aan kinderen met een beperking, of dat kinderen er door worden afgeleid in de klas, het leerproces van de andere kinderen omlaag gaat.
ExpertiseIk denk dat in het geval van Job er geen passend onderwijs geboden kan worden. Dit vanwege het ontbreken van expertise en tijd van de leerkracht.
WerkdrukIk denk dat leerkrachten op dit moment (werkdruk, weinig personeel, grote klassen, veel administratieve taken) een kind met een beperking in een reguliere klas niet goed kunnen begeleiden zonder dat dit ten koste gaat van alle andere kinderen in de klas.
Ondersteunend personeelIk denk dat het erg goed zal zijn als kinderen zoals Job op een gewone basisschool zijn. Er is dan wel extra begeleiding nodig om de leerkracht te ondersteunen.
ErvaringWij ervaren het positief dat onze kinderen leren omgaan met mensen met een beperking. Zij vinden dit heel normaal en dat vind ik erg fijn.

*Hoewel de exacte inhoud van de gemaakte opmerkingen verschilt per ouder, is er geen verschil in het aantal opmerkingen per subthema dat gemaakt is door ouders van beide groepen (wel/niet school met Samen naar School klas).

Hoe nu verder?

Dit deelonderzoek geeft aan dat ouders een redelijk positieve houding hebben tegenover kinderen met emb in het reguliere onderwijs. Wel hebben zij hierover in het algemeen hun zorgen geuit. Deze zorgen zijn zowel geuit door ouders van een school met een Samen naar School klas, als ook door ouders van een school zonder een Samen naar School klas. Daarom is het belangrijk dat, wanneer een Samen naar School klas wordt gestart, ouders goede voorlichting krijgen zodat deze zorgen kunnen worden weggenomen. Daarnaast is het betrekken van ouders bij de Samen naar School klas een mogelijkheid. Hierdoor kunnen ze direct contact op doen met de kinderen van de klas. Dit kan hun houding, en ook die van hun kind(eren) positief beïnvloeden.

——————————————————————–

Dit praktijkbericht is gebaseerd op een internationaal artikel dat momenteel geschreven wordt: De Boer, A.A., Van der Putten, A.A.J., Minnaert, A.E.M.G. (In progress). Parents’ Attitudes Towards and Concerns about the Inclusion of Students with Profound Intellectual and Multiple Disabilities.

Meer informatie over het onderzoek of de Samen naar School klassen is op te vragen via: anke.de.boer@rug.nl of jvisser@nsgk.nl. Dit deelonderzoek maakt onderdeel uit van het onderzoek naar de effecten van de Samen naar School klassen. Dit onderzoek is medegefinancierd door het Gehandicapte Kind, en de afdeling Orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen.  

Houding van ouders tegenover kinderen met ernstige beperkingen
05/10/2020
Joke Visser